skip to content

Lang geleden leefde er eens een houthakker die een vrouw had en zeven zonen. De houthakker werkte elke dag zo hard hij kon in het bos, maar helaas, hij slaagde er bijna nooit in zoveel te verdienen dat hij zichzelf en zijn gezin genoeg te eten kon geven. Vooral voor het jongste zoontje was dat heel erg, want die was toch al klein en zwak. Je zult het misschien niet geloven, maar toen hij werd geboren, was hij maar net zo groot als de duim van zijn vader. Daarom werd hij ook Klein Duimpje genoemd.

In het jaar waarin dit verhaal begint, heerste er hongersnood in het land. Het eten werd steeds duurder en tenslotte kon de houthakker het helemaal niet meer betalen. Toen er geen kruimeltje eten meer was in het hele huis zei de houthakker op zekere avond, toen de kinderen al in bed lagen, tegen zijn vrouw: "Vrouw, ik kan het niet langer aanzien dat onze kinderen doodgaan van de honger. Daarom neem ik ze morgen mee naar het bos om hout te sprokkelen en dan laat ik ze daar achter; hier weten we zeker dat ze doodgaan, maar in het bos komen ze misschien iemand tegen die ze kan helpen."

De vrouw vond het een verschrikkelijk plan. Ze wist wel bijna zeker dat de kinderen in het bos niemand zouden vinden die hun hulp zou bieden. Daarom doorzocht ze nog een keer het hele huis of er iets eetbaars te vinden was, maar toen ze niets vond, moest zij de vader wel gelijk geven: als de kinderen thuisbleven, zouden zij zeker sterven. Ze konden dus maar beter het bos ingaan.